Ik moest minstens een engel zien

Door Benaiah

Ik moest minstens een engel zien

Agur verwonderde zich vroeger al over ‘de weg van een man met een jonge vrouw’ (Spreuken 30). In 2005 was het eerder een jonge vrouw die zich verwonderde.

 

Tegen wil, dank en verlangen had ik haar uitgezwaaid, zodat zij een bijbelschool in Zweden kon volgen. Een vriend zei nog: ‘Benaiah, als je haar los durft te laten en ze komt bij je terug, is ze voor altijd van jou. Maar als ze daar valt voor een knappe Zweedse gozer, dan is ze nooit van jou geweest.’ Sommige waarheden wil je niet horen, maar ik wist dat hij gelijk had.

 

Ik zocht haar wel regelmatig op. Ergens wisten we wel dat we samen verder wilden. Maar hoe weet je ’t zeker, hè? Ik kom zelf uit een gescheiden gezin, met als gevolg dat ik altijd zei: ‘Voordat ik trouw, moet ik minstens een engel zien!’ Nu hadden verliefdheid en een flinke portie hormonen al wat concessies bewerkt, maar ik zocht zekerheid over iets heel specifieks.

 

Dertien jaar lang had ik gefocust de weg gevolgd waarop God mij leidde. Het bleek een grillig, onvoorspelbaar pad  soms net iets ruig ook. Vandaar, zo dacht ik, moest mijn bruid in elk geval zelf Gods stem kunnen verstaan. Al was het alleen maar om toekomstig gekibbel bij routewijzigingen te voorkomen… Ter bevestiging had ik dus een test bedacht. Beiden zouden we God om een Bijbeltekst vragen. En bij onze volgende ontmoeting zou dit dezelfde tekst moeten zijn.

 

Het feit dat Mirjam niet blikte of bloosde bij dit voorstel  dat duidelijk tegen alle dating-protocollen inging  sprak eigenlijk al boekdelen. Toch reisde ik met kerst een beetje nerveus weer naar Uppsala. Dit keer met een verlovingsring op zak en de goedkeuring van haar vader.

 

Ze voelde ‘m al aankomen toen we samen door de sneeuw richting de kathedraal sjokten. Buiten was het -15˚C. Binnen was het warm. De blikken ontwijkend van de weinige bezoekers, zochten we schuchter een bankje achteraf. Privacy die enkel werd geschonden door apostelen in glas-in-lood. Het was romantiek met een vleugje vroomheid. Ik kwam immers niet voor God (al was ik wel op een missie). Toch werd het een heilig moment, zodra Mirjam zei dat God haar een lied had gegeven: Psalm 40:1-3: ‘Lang heb ik de Heere verwacht… Hij hoorde mij… zette mijn voeten op een rots en maakte mijn schreden vast…’ Exact wat ik ook had opgeschreven!

 

Dankbaar keek ik naar boven  een onmiskenbaar effect van zo’n gotisch godshuis  en moest ineens lachen. Mir volgde mijn blik naar het raam. Daar, in een carnaval van kleuren, stond geen apostel, maar de engel Gabriël afgebeeld. Onze Vader wist het sprekend te brengen. Het was duidelijk: wij mochten binnenkort wéér naar de kerk.